visus
Uiterlijk
- vi·sus
- uit het Latijn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | visus | |
| verkleinwoord |
de visus m
- (medisch) een maat voor gezichtsscherpte als onderdeel van het meeromvattende gezichtsvermogen
- Het woord 'visus' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.