tijk
Uiterlijk
- tijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tijk | tijken |
| verkleinwoord | tijkje | tijkjes |
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kussenovertrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1163 [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tijk | - |
| verkleinwoord | - | - |
tijk
- m de stof die als een huid om de kern van een matras is aangebracht
- o het materiaal gebruikt voor [1]
1.
- Het woord tijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tijk" herkend door:
| 56 % | van de Nederlanders; |
| 35 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "tijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 56 %
- Prevalentie Vlaanderen 35 %