Naar inhoud springen

Jason Arday

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Jason Arday
Jason Arday
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Jason Atta Kwei Arday
Geboortedatum 9 mei 1985
Geboorteplaats Londen
Overlijdensdatum 14 augustus 2026
Overlijdensplaats Londen
Academische achtergrond
Alma mater St Mary's University
Liverpool John Moores University
Proefschrift An Exploration of Peer-Mentoring among Student Teachers' to Inform Reflective Practice within the Context of Action Research (2015)
Promotor(s) Phil Vickerman
Wetenschappelijk werk
Vakgebied(en) Onderwijssociologie
Universiteit Universiteit van Glasgow
Universiteit van Cambridge
Soort hoogleraar Gewoon hoogleraar
Werklocatie Cambridge[1]Bewerken op Wikidata
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Jason Atta Kwei Arday (Londen, 9 mei 1985 – aldaar, 14 augustus 2026) was een Britse academicus en auteur. Hij was van 2023 tot augustus 2026 hoogleraar onderwijssociologie aan de Universiteit van Cambridge. Bij zijn benoeming was hij de jongste zwarte hoogleraar in de geschiedenis van de universiteit.[2][3]

Arday nam ontslag na mediaberichten over vermeend plagiaat in zijn wetenschappelijke werk en twijfels over het waarheidsgehalte van zijn autobiografische verhalen en beweerde prestaties.[4] Hij ontkende alle beschuldigingen. Negen dagen na zijn ontslag werd hij dood aangetroffen in zijn woning in Battersea, Londen.[2][5]

Vroege leven en opleiding

[bewerken | brontekst bewerken]

Arday werd geboren op 9 mei 1985 in Londen als derde van de vier zoons van Ghanese ouders en groeide op in Clapham, Zuid-Londen. Hij stelde dat hij op jonge leeftijd de diagnoses autisme, mutisme, globale ontwikkelingsstoornis, doofheid en dyscalculie kreeg, dat hij tot zijn elfde non-verbaal was en pas op achttienjarige leeftijd kon lezen en schrijven. Ook had hij in zijn jeugd epilepsie, zaadbalkanker en een hersentumor moeten overwinnen. Deze opeenstapeling van stoornissen, ziekten en tegenslagen werd later als "systematische, geritualiseerde oneerlijkheid" betwist door oud-klasgenoten en in de media.[6][7]

Hij studeerde aan St Mary's University, Twickenham (BA en MA) en behaalde een PGCE aan het UCL Institute of Education. Hij trouwde in 2014 en meldde in 2026 in zijn memoires[8] dat zijn vrouw de lerares was die hem geholpen had toen hij leerde lezen en schrijven. Ze kregen twee kinderen.

Academische loopbaan

[bewerken | brontekst bewerken]

In 2015 promoveerde hij aan de Liverpool John Moores University op het proefschrift An Exploration of Peer-Mentoring among Student Teachers' to Inform Reflective Practice within the Context of Action Research.[9] Omdat hij door zijn hersentumor aan geheugenverlies leed, zou hij de inhoud van zijn proefschrift opnieuw hebben moeten leren in de weken die voorafgingen aan de verdediging ervan.[10]

Arday was werkzaam aan Leeds Beckett University, de University of Roehampton, Durham University en de University of Glasgow (hoogleraar onderwijsssociologie, 2022–2023) voordat hij in maart 2023 werd benoemd aan Cambridge.[11][12]

Zijn benoeming in Cambridge kreeg veel media-aandacht. Hij werd fellow van Jesus College en verscheen onder meer in de BBC-programma's Sunday with Laura Kuenssberg en Question Time. Hij ontving eredoctoraten aan vijf andere universiteiten, werd erelid van de British Science Association en had bestuurs- of adviesfuncties bij onder andere de Royal Society en de British Sociological Association.

Beschuldigingen en aftreden als hoogleraar

[bewerken | brontekst bewerken]

Enkele maanden na Ardays aanstelling in Cambridge in 2023 uitte Dave Harris, emeritus hoogleraar aan Plymouth Marjon University, tegenover Arday twijfels over diens academische werk. Op 4 mei 2023 stuurde Harris hem vragen over onder meer opvallende overeenkomsten tussen een artikel van Arday uit 2018 en eerder gepubliceerd onderzoek van epidemioloog Anjum Memon en collega's.

Arday beschouwde de vragen van Harris als intimidatie en meldde hem bij de Metropolitan Police wegens vermeende harassment. Omdat Harris in Plymouth woonde, werd de zaak doorverwezen naar Devon and Cornwall Police, die besloot geen onderzoek tegen hem in te stellen.

Harris vroeg vervolgens socioloog Martyn Hammersley van de Open University het artikel eveneens te beoordelen. Op 19 mei 2023 meldde Hammersley zijn bevindingen bij de Universiteit van Cambridge en stelde hij dat het artikel volgens hem „substantial plagiarism” uit verschillende bronnen bevatte. Cambridge liet daarop weten dat Arday het artikel zou aanpassen, maar dat de faculteit hem volledig bleef steunen. Omdat het betreffende werk dateerde van vóór zijn aanstelling in Cambridge, stelde de universiteit dat een formeel onderzoek niet onder haar verantwoordelijkheid viel. Harris bracht zijn zorgen ook onder de aandacht van Liverpool John Moores University, waar Arday zijn doctoraat had behaald.

De Liverpool John Moores University onderzocht eerdere klachten en oordeelde dat er geen sprake was van plagiaat, maar van waarschijnlijk "eerlijke en redelijke fouten". Arday ontkende een leugenaar of plagiaatpleger te zijn en stelde dat meerdere onderzoeken hem hadden vrijgepleit.[11][13]

In 2025 kwamen de vragen over Ardays werk opnieuw bij de pers terecht. Jack Grove, journalist bij Times Higher Education, verklaarde dat een andere hoogleraar hem in juni 2025 had gewezen op mogelijke problemen met ethische goedkeuring in enkele publicaties van Arday. Grove onderzocht vervolgens ook Ardays proefschrift, cv, fondsenwerving en publiek vertelde levensverhaal. In september 2025 legde hij Arday zijn bevindingen voor en bood hem de gelegenheid erop te reageren. Volgens Grove had hij Arday slechts vier e-mails gestuurd. In plaats van een inhoudelijke reactie werd bij de Metropolitan Police een klacht wegens harassment tegen Grove ingediend. Grove wist aanvankelijk niet dat hij onderwerp van een politieonderzoek was. Vier maanden later liet een politieagent hem weten dat de zaak werd gesloten en dat hij Arday niet meer moest benaderen. Grove werd tijdens het onderzoek niet verhoord. Metropolitan Police Commissioner Mark Rowley erkende later dat de politie hierbij „dropped the ball” had en zei dat de klacht in een vroeg stadium had moeten worden afgewezen omdat er geen politieonderzoek nodig was.[14]

Naast het poltie onderzoek ontving Times Higher Education een brief van het advocatenkantoor Carter-Ruck, waarin onder meer werd gesuggereerd dat de journalistieke benadering van Arday mogelijk raciaal gemotiveerd was. Het tijdschrift publiceerde het geplande artikel daarna niet.[15]

De beschuldigingen bereikten pas in juli 2026 een veel groter publiek. De omstreden Amerikaanse wetenschapsfilosoof Nathan Cofnas,[16] , destijds verbonden aan de Universiteit Gent en eerder werkzaam geweest in Cambridge, verklaarde dat een academicus uit Cambridge hem op de kwestie had gewezen. Cofnas analyseerde vervolgens Ardays proefschrift uit 2015 met plagiaatdetectiesoftware en publiceerde op 21 juli 2026 voorbeelden van tekstuele overeenkomsten met onder meer een proefschrift van Paula Zwozdiak-Myers uit 2009. Zijn blog publicatie leidde tot brede landelijke media-aandacht voor beschuldigingen die in verschillende vormen al sinds 2023 intern bij universiteiten en sinds 2025 bij een journalist bekend waren.

Volgens een onderzoek van The Telegraph zouden er meer dan 100 passages, eventueel met lichte aanpassingen, verbatim uit het proefwerk van Zwozdiak-Myers komen.[17] Arday citeerde haar 17 keer elders in zijn werk. Er werden tevens vragen gesteld bij vermeende inconsistenties in Ardays beweringen:[7][17][18][19][20][21]

  • Hij zei dat hij als kind tot zijn elfde niet kon spreken en pas op zijn achttiende leerde lezen en schrijven. Voormalige klasgenoten gaven later tegenstrijdige verklaringen; een oud-klasgenoot herinnerde zich hem juist als iemand die op de basisschool sprak en “always cracking jokes” was. Andere oud-bekenden ondersteunden delen van Ardays beschrijving van zijn beperkingen.
  • Hij beweerde zijn profeschrift in 2.5 jaar met een hersentumor te hebben afgerond. De hersentumor werd twee weken voor de verdediging van zijn proefschrift verwijderd. Na de operatie zou hij zijn proefschrift door een herseninfarct na de operatie opnieuw hebben moeten leren. De media twijfelde over deze tijdslijn.[22]
  • Arday zei in 2022 dat hij als kind had deelgenomen aan een programma dat “Seven Up” heette, waarbij deelnemers op hun zevende, veertiende en eenentwintigste levensjaar werden gevolgd.[23] Nadat erop werd gewezen dat de bekende Britse documentairereeks Seven Up! al in 1964 was begonnen, ruim vóór zijn geboorte, stelde Arday dat hij niet naar die televisiereeks verwees maar naar een lokaal, door ouders georganiseerd gemeenschapsproject voor zwarte moeders van kinderen met complexe leerbehoeften.
  • Hij zei dat hij op Cambridge door indringers was geconfronteerd, waaronder een gemaskerde man met een mes. Volgens latere berichtgeving was er geen ondersteunend CCTV-materiaal en waren er geen collega's die de vermeende indringer hadden gezien.
  • Hij vertelde dat er als racistische bedreiging een afgehakte varkenskop bij het huis van zijn ouders was bezorgd en dat de politie daarna plaatselijke slagers had onderzocht om de herkomst ervan te achterhalen. De Metropolitan Police weersprak zijn beschrijving van dat onderzoek en latere journalistieke navraag vond geen bewijs voor het door hem beschreven politieonderzoek.
  • Hij beweerde dat hij ongeveer £5 miljoen voor goede doelen had opgehaald. Toen hem werd gevraagd dit bedrag te onderbouwen, zei hij dat het geld door verschillende fondsenwervingsgroepen was ingezameld; hij kon die groepen naar eigen zeggen vanwege geheimhoudingsafspraken niet noemen.
  • Hij beweerde dat hij 600 mijl van Edinburgh naar Londen in zes dagen had gelopen. Nadat The Guardian hem hierover bevroeg, veranderde hij dit naar twaalf dagen, met rustdagen ertussen.
  • Hij beweerde dat hij 30 marathons in 35 dagen had gelopen. Volgens zijn eigen verhaal liep hij daarvan nog negen nadat hij een haarlijnbreuk in zijn kuitbeen had opgelopen (na een epileptische aanval). Deze prestatie kon niet onafhankelijk worden bevestigd.
  • Arday beweerde dat hij aan Birkbeck, University of London, een masteropleiding in psychodynamische praktijken had afgerond en daarna een volledig gekwalificeerd counsellor was geworden, wat hem volgens zijn biografie een “rijk begrip van geestelijke gezondheid” zou hebben gegeven. Toen The Guardian dit controleerde, verklaarde Birkbeck dat de universiteit geen dossier kon vinden waaruit bleek dat iemand met de naam Jason Arday daar had gestudeerd.
  • Hij beschreef vrijwilligerswerk en waterprojecten in het buitenland, onder meer in verband met WaterAid. WaterAid liet weten dat zij vrijwilligers niet naar het buitenland sturen.[24]
  • Hij deed uitspraken over voetbal op hoog niveau en een band met de jeugdopleiding van Crystal Palace. The Guardian kon verschillende van deze sportieve prestaties niet verifiëren.
  • Hij vermeldde academische functies en banden met universiteiten die later werden betwist. Onder meer Ohio State University ontkende dat hij daar de door hem genoemde positie had bekleed; ook over andere institutionele banden werden discrepanties gemeld.
  • Hij presenteerde zich als auteur van een boek bij Palgrave Macmillan. Volgens de uitgever was er slechts een boekvoorstel ingediend en is het betreffende boek nooit gepubliceerd.

Op 5 augustus 2026 kondigde de Universiteit van Cambridge een onderzoek aan "naar aanleiding van nieuwe informatie over de academische kwalificaties en erebenoemingen van Prof. Arday". Diezelfde dag nam Arday ontslag als hoogleraar en fellow. Hij verklaarde dat de aanhoudende publieke aandacht persoonlijk onhoudbaar was geworden.[11][2]

Andere instellingen, waaronder de universiteiten van Glasgow en Durham, kondigden onderzoek aan naar hun eerdere benoemingen van Arday. Academici, onder wie postkoloniaal historica Priyamvada Gopal [en], verspreidden een brief waarin werd opgeroepen tot een onafhankelijk onderzoek naar de benoemingsprocedure in Cambridge.[12][11]

Negen dagen na zijn terugtreden werd Arday dood aangetroffen in zijn woning in Battersea, Londen.[2][5]

In commentaren werden vraagtekens geplaatst bij het gebrek aan kritische distantie dat de universiteiten zouden hebben getoond. Ze zouden zo verheugd geweest zijn over een zwarte academicus met een spectaculair levensverhaal dat ze te weinig zouden hebben gekeken naar zijn wetenschappelijke resultaten en naar de waarheid achter dat levensverhaal. Ze waren niet gealarmeerd door de waarschuwingen die ze hadden ontvangen en ook niet door de ongeloofwaardige kanten van zijn beweringen. Ze hadden hem ingezet als "mascotte" voor een universitaire wereld die regelmatig had moeten bekennen hoe weinig zwarte studenten en docenten ervan deel uitmaakten. Hieraan was Arday "opgeofferd" en door zijn val zouden zwarte academici het volgens deze commentatoren nog moeilijker krijgen om zichzelf te bewijzen.[25]

Ook de rol van de Britse media, die eerst Ardays onwaarschijnlijke claims hadden toegejuicht en nu niet aarzelden om hem neer te sabelen als "nepprofessor", werd bekritiseerd.[26]

Dat de zaak weer was aangebracht door de zelfverklaarde "rassenrealist" Nathan Cofnas, zorgde voor ongemak.[bron?] Op 20 augustus 2026, op het hoogtepunt van de commotie rond Arday, werd Cofnas door zijn werkgever de Universiteit Gent geschorst vanwege de ophef die zijn omstreden uitspraken over biologische verschillen tussen bevolkingsgroepen veroorzaakten.[27]

Ardays memoires Great and Unfortunate Things verschenen kort voor zijn dood in de Verenigde Staten.[8]

Zie de categorie Jason Arday van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.